Ga naar de startpagina

De vroege middeleeuwen ( 1050 - 1250 )

Troonstrijd

Als opvolger van Emund de Oude werd Stenkil, een christelijke hoofdman uit Västergötland, gekozen. De familie van Stenkil (zijn broers Erik, Halsten en Inge de Oudere, zijn zoons Inge de Jongere en Filip en de zonen van Halsten) moesten het koningschap betwisten met andere families die net als zij afstamden van de vrouwelijke lijn van het oude koninklijke geslacht. De troonstrijd ging onverminderd door toen het geslacht van Stenkil in ongeveer 1130 uitstierf. De strijd ging verder tussen de families van Sverker de Oudere die in 1156 overleed en Erik Jedvardsson (Erik de Heilige) die in 1160 overleed. In het begin leek het erop dat de troonstrijd voornamelijk gevoerd werd omdat het zuidelijke Götaland al eerder tot het christendom was overgegaan dan het noordelijke Svealand, maar de strijd ging gewoon door toen halverwege de 12e eeuw geheel Zweden tot het christendom was overgegaan. En betere verklaring voor de voortdurende strijd lijkt de vechtlust van de oorspronkelijke bewoners die zich sinds het staken van de Vikingtochten meer op de interne twisten richtte. De afstammelingen van Sverker de Oudere en Erik de Heilige bezetten afwisselend de Zweedse troon tot dat deze geslachten in 1222 resp. 1250 uitstierven, waarmee een einde kwam aan de Ynglingerdynastie.

Veranderingen in de samenleving

In deze tijd van onrust vonden er grote veranderingen plaats waaruit later het Zweden van de middeleeuwen voortkwam. De hiërachishe kerk kreeg, mede door de kerkvergaderingen in Linköping in 1152 en Skänninge in 1248, vaste voet aan de grond, door het stichten van bisdommen en parochies onder leiding van het aartsbisdom Uppsala in 1164, het stichten van kloosters en het invoeren van de "tiende penning". Door deze ontwikkelingen kreeg Zweden een nieuw soort leiders die een grote culturele betekenis hadden, maar aan de andere kant ook een uitzonderlijke positie in de samenleving wisten te krijgen : de geestelijkheid. De geestelijkheid bracht een proces tot stand waarin de sociale verschillen kleiner werden. Dor haar invloed werden steeds meer slaven en lijfeigenen vrij gemaakt en werd de slavernij zelfs in 1335 zelfs volledig afgeschaft. De kerk had zelf ook behoefte aan steun en bescherming en hielp daarom de koninklijke maht te versterken door het toekennen van bepaalde rechten aan de koning die afgeleid waren van de rechten van de Romeinse keizers. Het vaststellen van wetten en het handhaven daarvan was vanouds een taak van de koning. Onder invloed van de geestlijkheid werd dit meer een aktiviteit van de staat, waarbij regelmatig afwijkende provinciale wetten werden afgeschaft ten gunste van de staatswetten. In het begin zag het er naar uit dat het land door dit soort veranderingen eerder uit elkaar zou vallen dan sterker zou worden. Pas in de tijd van Sverker de Oudere n Erik de Heilige werden de vruchten van de veranderingen zichtbaar en werd de macht van de koning en het koninkrijk sterker. Zweden werd in die tijd nog machtiger doordat Erik de Heilige de eerder gevoerde Oostzee-politiek weer opnam met als doel de verovering van Finland en het beginnen van nieuwe kruistochten. De opkomst van een van de rest van de bevolking afgescheiden stand van geestelijkheid en het begin van de afschaffing van de slavernij waren niet de enige sociale veranderingen in die tijd. De gootgrondbezitters begonnen zich in de 12e eeuw te verenigen tot een klasse van aristocratische krijgers. Door het stoppen van de Vikingtochten ontstond er meer landbouw, maar aan de andere kant werd het or vrijmakingen moeilijker om slaven of lijfeigenen te krijgen. Als gevolg hiervan onstond er naast de klasse van grondbezitters een klasse van boeren die op het land van de landeigenaren hun beroep uitoefenden. In tegenstelling met feodale staten werden deze boeren nooit lijfeigenen van de bezittende klasse. De grootgrondbezitters mengeden zich volop in de strijd om de troonopvolging en uit hun kringen ontwikkelde zich een rijksaristocratie versterkt door geestelijk leiders die de koninklijke macht verder versterkte. Als leider van deze klasse trad een "jarl" op wiens positie herinnert aan de rijskhofmeester in Frankrijk. Toen de Erik XI ( 1222 - 1250 ) nog niet oud genoeg was om het koningschap te mogen vervullen lag de macht effectief bij een "koninklijke raad" (consiliarii) bestaande uit een anatal mannen uit de rijksaritocratie, zoals te lezen is in een officiëel document uit 1225. Het is de eerste keer dat de titel "koninklijke raad" in de Zweedse geschiedenis voorkomt.

<< De Vikingtijd

Copyright © 1998-2009 Zweden Info